In zijn eerste jaar op Zweinstein komt Harry Potter in een verlaten zaal een spiegel tegen: de Spiegel van Neregeb. Wie erin kijkt, ziet niet zichzelf, maar zijn diepste verlangen. Harry ziet zijn ouders. Ron ziet zichzelf als held. Perkamentus waarschuwt: de spiegel toont niet de waarheid, maar wat je het meest begeert.

Intieme relaties werken precies zo. We zien niet alleen de ander, maar ook ons eigen verlangen weerspiegeld. Vaak toont dit zich niet alleen in een magisch beeld of in een eigenschap die we bewonderen, maar evenzeer in momenten en taferelen die niet zo gezellig zijn: de irritatie die je voelt bij de afwasmachine die niet uitgeruimd is, een partner die weer te laat komt of een bitse toon onder een opmerking die je in je buik voelt steken. Soms voel je dat je reactie niet in verhouding staat tot wat er gebeurde. En toch kun je jezelf niet inhouden, of overkomt het je gewoon.

Er zijn mensen die zeggen dat we onze partners niet toevallig kiezen maar dat we worden aangetrokken door mensen die iets herhalen uit ons verleden. En stiekem hopen we: deze keer wordt het anders. Verlangen drijft ons, inclusief de hoop in herhaling met een andere afloop. Maar zodra ons verlangen dichterbij komt, gebeurt er ook iets anders: het maakt ook de angst zichtbaar. De angst dat we te veel zijn, of juist te weinig. De angst dat we het niet waard zijn om te blijven. De angst om onszelf te verliezen.

Het verlangen trekt ons erheen, roept ons; de angst houdt ons tegen.

Gelukkig is dat maar de helft van het verhaal. Volgens Aristoteles is verlangen niet alleen gemis of begeerte, maar de kracht die ons in beweging zet en ons leven richting geeft. Het is gevormd door wat we ooit nodig hadden en niet kregen, of kregen op een manier die pijn deed. En dat gevormde verlangen zoekt, onbewust en hardnekkig, naar de plek waar het zich eindelijk kan voltooien. Op deze manier bekeken wordt de relatie een verlangensscène: de plek waar onze diepste verlangens tot leven komen. We ontmoeten de ander niet altijd direct, maar door de lens van ons eigen verlangen of angst.

Hierin wordt, als je het mij vraagt, ook de hoop van de liefde zichtbaar. Wat we in onszelf (nog) niet kunnen zien, zien we heel goed in onze partner. De eigenschap die wij het meest bewonderen, de neiging die ons het meest irriteert, de gewoonte die ons disproportioneel raakt: dat is zelden toeval. De intensiteit van onze reactie vertelt ons iets—niet over de ander, maar over onszelf. Over wat er nog niet gezien is en nu erkend wil worden. En dat is niet alleen een probleem, maar bovenal een kans.

We schrijven onze partner een rol toe die eigenlijk van elders komt.

Denk er maar eens over na. Hoe vaak neemt het verleden niet plaats aan onze eettafel en schrijven we onze partner een rol toe die eigenlijk van elders komt? Een vader die onbetrouwbaar was, een moeder die manipuleerde, of een liefde die ons bedroog. Zonder dat we het doorhebben, kijken we soms niet naar wie tegenover ons zit, maar naar wie we daar verwachten (of hopen!) te zien.

Dan raken we teleurgesteld of boos of verdrietig, niet om wat de ander deed, maar om wat we ooit zo graag anders hadden gewild. Dit is het moeilijkste wat er is in een relatie—en misschien ook het angstaanjagendste: de vraag verschuiven van wat doet de ander mij aan? naar wat zegt deze reactie over mij? Welke zorg zit eronder? Welk verlangen schuilt erachter?

Ik zeg dit niet om onszelf nog meer op onze kop te slaan dan velen van ons al doen, maar om keuzevrijheid te creëren. Want zodra we zien wat we meebrengen—het verlangen, de angst, de onafgemaakte verhalen—kunnen we ook kiezen. We kunnen de ander zien zoals hij, zij of die werkelijk is. En soms gebeurt er iets wonderlijks: het verlangen vindt wél zijn plek. Niet zoals we hoopten, maar zoals het nu kan.

Welk verlangen breng jij mee naar de liefde—en aan wie was het oorspronkelijk gericht?